ECLI:NL:PHR:2003:AF3423
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming aan eigen BV en doorverkoop
Belanghebbende, die in 1995 een landbouwonderneming dreef, bracht het akkerbouwbedrijf in een nog op te richten BV in en bedong bij staking van de melkveehouderij een lijfrente van de BV. De Inspecteur weigerde aftrek van de lijfrentepremie, wat door het Hof Leeuwarden werd bevestigd. De Hoge Raad overweegt dat premies voor lijfrenten slechts in aanmerking komen indien zij zijn verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam en de lijfrente is bedongen als tegenprestatie voor overdracht van een gedeelte van een onderneming aan dat lichaam.
Het Hof oordeelde dat de overdracht van de melkveehouderij aan de BV deel uitmaakte van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht aan een derde, waardoor geen sprake was van een overdracht aan de BV als bedoeld in de wet. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het niet relevant is of de BV de onderneming voortzet, maar dat het gaat om de feitelijke strekking van de rechtshandelingen.
De Hoge Raad bespreekt verder de beleidsregels en arresten omtrent geruisloze omzetting en lijfrentepremieaftrek, waarbij wordt benadrukt dat overdracht aan een eigen BV gevolgd door doorverkoop aan derden niet leidt tot aftrek. Ook wordt aangegeven dat het begrip overdracht economisch moet worden uitgelegd en dat misbruik niet relevant is indien de overdracht deel uitmaakt van een samenstel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie.
De conclusie is dat het beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de lijfrentepremieaftrek terecht is geweigerd, mede omdat de overdracht aan de BV niet als zelfstandige overdracht aan een opvolgend ondernemer kan worden aangemerkt.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aftrek van de lijfrentepremie wordt geweigerd.