ECLI:NL:PHR:2003:AF2685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking pensioenverevening tot tweede huwelijksperiode bij hertrouwen na echtscheiding
In deze zaak stond centraal de vraag hoe pensioenverevening bij scheiding dient plaats te vinden indien partijen meerdere malen met elkaar zijn gehuwd en gescheiden, waarbij het eerste huwelijk vóór de inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) werd ontbonden. Het hof had geoordeeld dat pensioenverevening moest plaatsvinden over de gehele periode vanaf het eerste huwelijk tot de tweede echtscheiding, inclusief de periode tussen de huwelijken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte aan art. 1:166 BW Pro een betekenis had toegekend die niet aan deze bepaling toekomt. Deze bepaling voorkomt slechts dat partijen via hertrouwen het huwelijksgoederenregime kunnen omzeilen, maar kan niet leiden tot terugwerkende kracht van de WVP. De WVP kent immers geen terugwerkende kracht en is alleen van toepassing op scheidingen na de inwerkingtreding ervan.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het pensioenverevening over de eerste huwelijksperiode en de tussenliggende periode toekende. De verevening is beperkt tot de periode van het tweede huwelijk, dat na de inwerkingtreding van de WVP werd gesloten. Hiermee wordt aangesloten bij de ratio van de WVP die pensioenopbouw tijdens het huwelijk wil verevenen en wordt rechtszekerheid gewaarborgd.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de WVP bij meervoudige huwelijken en bevestigt dat pensioenverevening niet terugwerkt naar perioden vóór de inwerkingtreding van de wet of buiten het huwelijk. Dit voorkomt complexe situaties en onwenselijke pensioenverdelingen over niet-huwelijkse perioden.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt pensioenverevening tot de periode van het tweede huwelijk en vernietigt het hofarrest voor zover pensioenverevening werd toegewezen over het eerste huwelijk en de tussenliggende periode.