Uitspraak
15 mei 1992.
Hoge Raad
De man en de vrouw waren in 1978 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, maar zijn in 1988 gescheiden. De man had een schuld van ƒ 33.401,91 aan de Bedrijfsvereniging wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen in de periode 1986-1987. Na diverse onherroepelijke uitspraken van beroepsinstanties wilden zij opnieuw met elkaar trouwen en vroegen zij voorafgaand aan dit tweede huwelijk goedkeuring voor huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen.
De rechtbank weigerde deze goedkeuring, en het hof bekrachtigde deze weigering. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en wijst erop dat artikel 1:166 lid 1 in Pro verbinding met artikel 1:119 BW Pro bedoeld is om te voorkomen dat partijen door echtscheiding en hertrouwen de goedkeuringseis kunnen omzeilen. De goedkeuring moet worden geweigerd als er geen redelijke grond is of als er gevaar bestaat voor benadeling van schuldeisers.
In dit geval bestaat dat gevaar omdat de schuld van de man aan de Bedrijfsvereniging is ontstaan tijdens het eerste huwelijk en dus in de gemeenschap viel. Ook al is de terugvorderingsbeslissing pas na het einde van het huwelijk genomen, blijft de schuld relevant voor de beoordeling. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de weigering van goedkeuring van de huwelijkse voorwaarden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de weigering van goedkeuring van de huwelijkse voorwaarden vanwege het gevaar van benadeling van schuldeisers.