ECLI:NL:PHR:2003:AF1906
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over materieel ondernemingsbegrip bij bedrijfsfusie en inbreng van activa in vennootschap
Belanghebbende, een dochtervennootschap van de K-groep, bracht haar vaste inrichting in Nederland in AA BV in, met het verzoek om fiscale begeleiding op grond van art. 14 Wet Pro Vpb. 1969. De inspecteur wees dit af omdat geen sprake was van overdracht van een materiële onderneming. Het Hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de activiteiten feitelijk waren beëindigd en dat het ingebrachte geen zelfstandig deel van een onderneming vormde.
De Hoge Raad analyseert het ondernemingsbegrip van art. 14 Wet Pro Vpb. 1969 uitvoerig en concludeert dat dit begrip materieel moet worden ingevuld, aansluitend bij het materiële ondernemingsbegrip in de Wet IB 1964. De fictie van art. 2, vijfde lid, Wet Vpb. 1969 betreft slechts een vermogensetikettering en impliceert niet dat alle NV's en BV's automatisch een onderneming drijven.
De Hoge Raad bespreekt ook de Fusierichtlijn (90/434/EEG) en relevante arresten van het Hof van Justitie, waaronder Leur-Bloem en Randers Sport, en benadrukt dat de inbreng van activa een overdracht van een onafhankelijke exploitatie moet betreffen die op eigen kracht kan functioneren. De Hoge Raad acht het niet nodig prejudiciële vragen te stellen en bevestigt dat de beoordeling van zelfstandigheid aan de nationale rechter toekomt.
De cassatiemiddelen van belanghebbende worden afgewezen omdat het Hof terecht oordeelde dat geen sprake was van een materiële onderneming op het overdrachtstijdstip en dat het ingebrachte geen zelfstandige tak van bedrijvigheid vormde. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen sprake was van overdracht van een zelfstandig deel van een materiële onderneming.