ECLI:NL:PHR:2003:AF0144
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op schijnhandelingen en proceskostencompensatie in nalatenschapsgeschil tussen zusters
In deze zaak gaat het om een geschil tussen zusters over de nalatenschap van hun overleden moeder. Verweerster, als enige erfgename benoemd, vordert betaling van geldleningen die zij aan de moeder zou hebben verstrekt. Eiseres betwist het bestaan van deze leningen en stelt dat sprake is van schijnhandelingen. De rechtbank oordeelt dat verweerster voldoende bewijs heeft geleverd met schuldbekentenissen en bankafschriften en wijst het beroep op schijnhandelingen af. Ook de vordering tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen.
Het hof Amsterdam bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep van eiseres af. Het hof overweegt dat de toelichting op de grieven geen nieuwe feiten of bewijsstukken bevat en dat de proceskostenveroordeling terecht is, mede omdat het hier een zakelijk geschil betreft tussen familieleden. De Hoge Raad toetst het arrest en concludeert dat het hof geen onjuiste maatstaven heeft toegepast bij de beoordeling van de grieven en dat de klachten over proceskostencompensatie niet slagen.
De Hoge Raad benadrukt dat de appelrechter mag volstaan met overname van eerdere oordelen indien geen nieuwe grieven worden ingebracht en dat bewijsaanbod in cassatie niet voor het eerst mag worden gedaan. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd.