ECLI:NL:PHR:2003:AE8771
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over spanningsveld tussen opsporing en persvrijheid bij inbeslagname journalistiek materiaal
In deze zaak staat het spanningsveld centraal tussen een doeltreffende opsporing van een strafbaar feit en de persvrijheid zoals gewaarborgd in artikel 10 EVRM Pro. Het gaat om een computerinbraak bij een internetprovider waarbij hackers gevoelige gegevens hebben gekopieerd en deze aan journalisten hebben verstrekt die bronbescherming hebben toegezegd.
De officier van justitie had op grond van artikel 96a Sv bevolen dat alle informatie betreffende de inbraak bij de journalistische partij in beslag genomen moest worden. De rechtbank had dit bevel met een krappe marge als proportioneel en subsidiariteit achtend beoordeeld, mede vanwege de ernst van het delict en het vermoeden dat de bron zelf bij het delict betrokken was.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het subsidiariteitsbeginsel is geschonden en dat de belangenafweging onvoldoende is onderbouwd, vooral gezien het feit dat technisch onderzoek van andere gegevens geen resultaat had opgeleverd en dat de gegevens vermoedelijk rechtstreeks uit een strafbaar feit stammen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere dimensie dat journalisten zich bewust waren van de criminele herkomst van het materiaal.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde beoordeling op basis van de juiste motiveringsvereisten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.