ECLI:NL:PHR:2003:AE3564
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdstip instelling strafrechtelijk financieel onderzoek in relatie tot aanvang terechtzitting
In deze zaak stond centraal de vraag op welk moment een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) uiterlijk moet zijn ingesteld in relatie tot de aanvang van de terechtzitting in eerste aanleg. De rechter-commissaris had de vordering van het Openbaar Ministerie tot het instellen van een sfo afgewezen omdat deze pas na de aanvang van de terechtzitting was ingesteld. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep van het Openbaar Ministerie af.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie behandeld en de beslissing van de rechtbank bevestigd. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het sfo moet zijn ingesteld vóór de aanvang van de terechtzitting in de eigenlijke strafzaak. De Hoge Raad nuanceert dit echter door te stellen dat indien de eerste zitting een pro-forma zitting is in de zin van artikel 282 Sv Pro, het sfo uiterlijk vóór de eerstvolgende zittingsdag moet zijn ingesteld.
De Hoge Raad motiveert dat een pro-forma zitting niet gelijkgesteld kan worden aan de eigenlijke terechtzitting omdat het voorbereidend onderzoek dan nog niet is afgerond. Het instellen van een sfo na een pro-forma zitting is niet in strijd met de zorgvuldigheid en het wettelijk systeem. De zaak in casu betrof een aanvang van de behandeling op 11 juli 2000 die niet als pro-forma kon worden aangemerkt, zodat het sfo vóór die datum had moeten zijn ingesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek vóór de aanvang van de eigenlijke terechtzitting moet zijn ingesteld en verwerpt het cassatieberoep.