ECLI:NL:PHR:2002:AF3557
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid artikel 6 EVRM op beklagprocedure inzake inbeslaggenomen stukken in internationale rechtshulp
In deze zaak staat centraal de vraag of artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van toepassing is op de beklagprocedure ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) betreffende de tijdelijke inbeslagname van administratieve stukken in het kader van een Duits rechtshulpverzoek.
De rechtbank had geoordeeld dat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is omdat het hier gaat om een tijdelijke inbeslagname die geen definitieve vaststelling van civiele rechten inhoudt. De Hoge Raad bevestigt dit standpunt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie en het feit dat klagers kopieën van de stukken kunnen verkrijgen om bedrijfsschade te voorkomen.
Daarnaast werd betwist dat stukken die betrekking hebben op een verjaarde periode of op derden buiten de verdachten relevant zijn voor het Duitse strafonderzoek. De Hoge Raad oordeelt dat stukken uit de verjaarde periode wel relevant kunnen zijn als bewijs en dat de rechtbank terecht het verweer hierover heeft verworpen. Wel is geoordeeld dat stukken die geen betrekking hebben op de verdachten teruggegeven moeten worden, en vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover deze stukken niet zijn teruggegeven.
De zaak wordt voor dat deel verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt afgewezen behalve voor het deel dat betreft stukken zonder betrekking op de verdachten; dat deel wordt vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam.