ECLI:NL:PHR:2002:AE8831

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01430/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring ontuchtige handelingen met minderjarige nichtjes

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 140 uur onbetaalde arbeid wegens het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De feiten betreffen ontuchtige handelingen met twee nichtjes, beiden onder de zestien jaar, die nagenoeg in dezelfde periode plaatsvonden in de woning van verdachte.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, met name tegen de motivering van de bewezenverklaring. Hij betoogde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat hij eerder voor een soortgelijk delict was veroordeeld en dat de ontuchtige handelingen in dezelfde periode en locatie hadden plaatsgevonden.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de eerdere veroordeling en bekentenis slechts als argumenten gebruikte om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers te ondersteunen, en deze niet rechtstreeks als bewijs had aangewend. De verklaringen van de slachtoffers en het pro justitia rapport boden voldoende grondslag voor het oordeel van het hof.

De klachten van verdachte over de bewijsvoering werden verworpen, en het cassatieberoep werd afgewezen. Hiermee bleef de veroordeling van verdachte ongewijzigd in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot 140 uur onbetaalde arbeid blijft in stand.

Conclusie

Nr. 01430/01
Mr Fokkens
Zitting: 10 september 2002
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot 140 uren onbetaalde arbeid wegens het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren. Verder heeft het Hof de vordering van de beledigde partij, de feiten speelde zich af voor inwerkingtreding van de Wet Terwee, toegewezen.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.
3. Namens verdachte heeft mr M.R. Tierie, advocaat te Bunschoten, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd en richt zich daarbij tegen de bijzondere bewijsoverweging.
5. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
"hij in de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1990 te [woonplaats] met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1981, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van en wrijven over de vagina van die [slachtoffer 1] en het brengen van één van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1]."
6. De in het middel gewraakte bijzondere overweging luidt als volgt:
"Verdachte is op 12 november 1991 door de rechtbank te Utrecht veroordeeld tot voorwaardelijke vrijheidsstraf voor - kort gezegd - het plegen van ontucht met zijn nichtje [slachtoffer 2] die toen nog geen zestien jaar oud was. Verdachte heeft hiervoor indertijd een bekennende verklaring afgelegd. Uit de onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], beiden nichtjes van verdachte, blijkt:
- dat de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nagenoeg in dezelfde periode hebben plaatsgevonden;
- dat die ontuchtige handelingen altijd plaatsvonden in de woning van verdachte als [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] bij hem logeerde;
- dat aan de aan verdachte verweten ontuchtige handelingen met zijn nichtjes in beide gevallen een periode voorafging waarin zij na in het bad te zijn geweest door hem werden afgedroogd en waarin zij wanneer zij met de andere kinderen "verstoppertje" speelden, zich bij verdachte, die dan (naakt) in bed lag, onder de dekens moesten verstoppen.
Uit die verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd - met name gelet op het geijkte patroon van de handelingen - leidt het hof af dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan."
7. Het middel bevat als eerste de klacht dat op de bewijsmiddelen niet is terug te voeren dat verdachte eerder is veroordeeld terzake een soortgelijk delict met een nichtje van het slachtoffer en dat verdachte dat feit indertijd heeft bekend.
8. Inderdaad blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte eerder is veroordeeld en dat verdachte destijds dat feit heeft bekend. Dat betekent echter niet dat de klacht doel treft. De overweging van het Hof moet namelijk aldus worden gelezen dat het Hof uit de overeenstemming tussen de in de overweging genoemde verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft afgeleid dat verdachte het feit heeft begaan. De passage daaraan voorafgaand, waarin het Hof melding maakt van de veroordeling en de bekentenis, vormt de inleiding op hetgeen daarna wordt weergegeven, maar is niet direct voor het bewijs gebruikt. Voor zover die veroordeling en bekentenis in het kader van de bewijsvoering een rol hebben gespeeld, zal deze, nu het Hof ze niet rechtstreeks voor het bewijs heeft gebruikt, aldus moeten worden begrepen dat veroordeling en bekentenis argumenten opleverden om de verklaring van [slachtoffer 2] over wat destijds is geschied, betrouwbaar te achten. Overwegingen die daarop betrekking hebben behoeven niet te steunen op in de uitspraak opgenomen wettige bewijsmiddelen(1).
9. De tweede klacht luidt dat de overwegingen van het Hof dat de ontucht met het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar nichtje [slachtoffer 2] in nagenoeg dezelfde periode hebben plaatsgevonden in de woning van verdachte wanneer [slachtoffer 1] (en in het geval van haar nichtje: [slachtoffer 2]) bij hem logeerden, niet uit de bewijsmiddelen volgen.
10. Het slachtoffer heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen met haar plaatsvonden in de periode van (ongeveer) januari 1989 tot september 1990, toen het seksueel misbruik van haar oom met haar nichtje [slachtoffer 2] uitkwam. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij omstreeks 1990 aangifte tegen haar oom heeft gedaan omdat hij haar van haar tiende tot haar vijftiende seksueel had misbruikt. Kennelijk en in het licht van de stukken niet onbegrijpelijk - zie het rapport van Van Leeuwen - heeft het Hof deze verklaringen aldus opgevat dat het misbruik van [slachtoffer 2] in 1990 heeft voortgeduurd totdat zij dat naar buiten bracht. Als die lezing wordt gevolgd, mist de klacht feitelijke grondslag.
11. Hetzelfde lot treft de klacht dat niet uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de ontucht altijd heeft plaatsvonden in de woning van verdachte wanneer [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] bij hem logeerden. In de als bewijsmiddel 4 opgenomen verklaring die [slachtoffer 2] tegenover verbalisanten heeft afgelegd, verklaart zij dat zij door haar oom (verdachte) is misbruikt en dat hij onder andere gemeenschap met haar heeft gehad en dat dat gebeurde als zij bij hem en haar tante in [woonplaats] logeerde. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat de ontucht plaatsvond wanneer zij bij verdachte, die in [woonplaats] woonde, logeerde (bewijsmiddel 1 en 3).
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
13. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1 Overigens berusten die vaststellingen, zoals wel is vereist, op hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 9 januari 2001 aan de orde is gekomen, namelijk op de inhoud van aldaar medegedeelde stukken, te weten een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 november 2000 waaruit blijkt dat verdachte eerder, op 12 november 1991, voor het plegen van een soortgelijk delict is veroordeeld en een door prof. Dr. A.M.H. van Leeuwen, psychiater, over verdachte opgemaakt pro justitia rapport van 28 januari 1991, waaruit blijkt dat verdachte destijds heeft bekend seksuele handelingen met zijn nichtje te hebben verricht.