ECLI:NL:PHR:2002:AE8821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van verspreiding beledigende uitlatingen en zichtbare SS-tatoeage
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Duitsland wegens verdenking van het verspreiden van beledigende uitlatingen en het zichtbaar dragen van een SS-doodshoofd tatoeage tijdens een demonstratie. De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar. Het eerste feit betreft het voorhanden hebben van cd's met Holocaustontkenning en bijbehorende materialen, terwijl het tweede feit het zichtbaar dragen van een tatoeage betreft die als SS-doodshoofd werd geïnterpreteerd.
De verdediging voerde onder meer aan dat de tatoeage niet als een afbeelding in de zin van artikel 137c Sr kon worden aangemerkt en dat het recht op onaantastbaarheid van het lichaam werd geschonden. De Hoge Raad verwierp deze argumenten en oordeelde dat een tatoeage wel degelijk een vastgelegd beeld is en daarmee onder de strafbepaling valt. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de waarneming van de opsporingsambtenaar dat het een SS-doodshoofd betrof.
De Hoge Raad bevestigde verder dat het voorhanden hebben van de cd's en bijbehorende materialen met beledigende uitlatingen strafbaar is volgens artikel 137e Sr. De klachten van de verdediging werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen. Hiermee blijft de uitlevering voor de betreffende feiten in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafbaarheid van het verspreiden van beledigende uitlatingen en het zichtbaar dragen van een SS-doodshoofd tatoeage.