ECLI:NL:PHR:2002:AE8194
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verhouding tussen bijzondere regel van art. 5:54 BW en misbruik van bevoegdheid bij overbouw
In deze zaak staat de verhouding tussen de bijzondere regel van art. 5:54 BW Pro en de algemene bepaling van art. 3:13 BW Pro inzake misbruik van bevoegdheid centraal. De Stichting Instituut A.V.O. (AVO) had zonder toestemming een tweede uitbouw en vluchttrap geplaatst op een pand van een buurvrouw, wat leidde tot een vordering tot verwijdering van deze bouwkundige toevoegingen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat AVO onrechtmatig handelde en sprake was van grove schuld, omdat AVO betrokken was bij de eerdere erfdienstbaarheid en wist dat de tweede uitbouw niet onder deze erfdienstbaarheid viel. Hierdoor kon geen afweging van belangen plaatsvinden zoals art. 5:54 lid 3 BW Pro voorschrijft.
In cassatie is de vraag aan de orde gesteld of art. 5:54 BW Pro een exclusieve regeling is die het beroep op art. 3:13 BW Pro uitsluit. De conclusie is dat art. 5:54 BW Pro geen exclusieve of reflexwerking heeft en dat ook bij grove schuld een beroep op misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW Pro) mogelijk blijft.
Het arrest wordt vernietigd omdat het hof ten onrechte niet de belangenafweging heeft gemaakt die art. 3:13 BW Pro vereist, ondanks de vastgestelde grove schuld. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing waarbij art. 3:13 BW moet worden toegepast naast art. 5:54 BW.