ECLI:NL:PHR:2002:AE4703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Terugbetaling goodwillvergoeding na voortijdige beëindiging advocatenmaatschap
In deze zaak gaat het om de gevolgen van de opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane advocatenmaatschap. Verweerster trad in 1992 toe tot een maatschap met twee andere advocaten en betaalde een goodwillvergoeding van 250.000 gulden. De maatschap werd echter al na anderhalf jaar beëindigd door opzegging van een van de maten, waarna verweerster de praktijk voortzette met de andere maat.
Verweerster vorderde terugbetaling van een deel van de goodwillvergoeding, omdat zij redelijkerwijs mocht verwachten dat de maatschap langer zou voortduren, minimaal vijf jaar, conform de gebruikelijke afschrijvingsperiode voor goodwill. De rechtbank en het hof gaven haar gelijk en oordeelden dat het deel van de vergoeding dat correspondeert met de periode waarin de maatschap niet heeft voortgeduurd, tussen partijen moet worden vereffend.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het hof de terugbetalingsverplichting baseerde op redelijkheid en billijkheid bij opzegging van duurovereenkomsten. De beslissing is niet gebaseerd op vernietiging van de overeenkomst of op dwaling, maar op de voorwaarden die bij opzegging in acht moeten worden genomen. Het beroep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de terugbetalingsverplichting van een deel van de goodwillvergoeding blijft gehandhaafd.