ECLI:NL:HR:2002:AE4703

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/314HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele vordering tot betaling

Verweerster vorderde bij de rechtbank betaling van een bedrag van ƒ 87.500,-- vermeerderd met wettelijke rente van eiseres en betrokkene 1. De rechtbank wees de vordering toe jegens eiseres en wees deze af jegens betrokkene 1. Eiseres ging in hoger beroep tegen dit vonnis, maar het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Verweerster verscheen niet in cassatie, waardoor verstek tegen haar werd verleend. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen en eiseres in de kosten te veroordelen.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het beroep werd verworpen en eiseres werd in de kosten veroordeeld, met nihil aan de zijde van verweerster.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

28 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/314HR
WS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 13 januari 1997 [betrokkene 1], kantoorhoudende te [vestigingsplaats], en eiseres tot cassatie, destijds handelende onder de naam [A] c.s., advocaten en belastingadviseurs, gevestigd te [vestigingsplaats], - verder afzonderlijk te noemen: [betrokkene 1] en [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 87.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 1 januari 1994 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Betrokkene 1] en [eiseres] hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 18 november 1998 de vordering van [verweerster] jegens [eiseres] toegewezen en de vordering tegen [betrokkene 1] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 13 juli 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiseres] in de kosten, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 5 april 2002 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 juni 2002.