ECLI:NL:PHR:2002:AE2129
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens schending redelijke termijn bij feitelijk leidinggeven milieudelicten
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte is veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan milieudelicten en misdrijven op grond van art. 158 en Pro art. 173b Sr. Het hof legde een straf op van 210 uur onbetaalde arbeid, vijf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete.
De Hoge Raad bespreekt meerdere cassatiemiddelen, waaronder de vraag of het hof terecht heeft bewezenverklaard dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. De conclusie is dat het hof dit terecht heeft gedaan, mede omdat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat verboden gedragingen zouden plaatsvinden binnen het bedrijf.
Wel oordeelt de Hoge Raad dat het arrest moet worden vernietigd voor zover het de beslissingen betreft omtrent het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, vanwege schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. De zaak wordt verwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de straftoemeting, waarbij rekening moet worden gehouden met deze termijnoverschrijding.
De overige middelen worden verworpen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging van andere onderdelen van het arrest.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging wegens schending van de redelijke termijn, en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.