ECLI:NL:PHR:2002:AE0475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over winstuitdeling en jaarwinstneming bij verkoop economische eigendom onroerende zaken
In deze zaak stond centraal of belanghebbende door de verkoop van economische eigendom van onroerende zaken aan een gelieerde vennootschap tegen boekwaarde een winstuitdeling had verricht en in welk jaar deze winstneming moest plaatsvinden.
Belanghebbende had in 1989 en 1990 economische eigendom van onroerende zaken verkregen van A N.V. en deze in 1995 terugverkocht tegen boekwaarde, terwijl de waarde in het economische verkeer hoger was. Het geschil betrof de fiscale correctie wegens onzakelijke verkoop (onttrekking) en het jaar van winstneming.
De Hoge Raad bevestigde dat een onzakelijke verkoop aan een aandeelhouder een onttrekking vormt die de totaalwinst verhoogt. De inspecteur moet aannemelijk maken dat de waarde in het economische verkeer hoger is dan de overeengekomen prijs, waarna de vennootschap kan aantonen dat er geen bevoordelingsbedoeling was.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de winstneming in beginsel plaatsvindt in het jaar van levering, hier 1995, ook al was er een voorovereenkomst in 1994. Belanghebbende had gekozen de winst in 1995 te verantwoorden en kon niet terugkomen op deze keuze, ondanks dat de economische eigendom geen goederenrechtelijke levering inhoudt.
De Hoge Raad verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de correctie in 1995, waarmee het oordeel van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde dat de onttrekking terecht in 1995 is belast en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.