ECLI:NL:PHR:2002:AD9915
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkte uitleg van het verbod op doorlaten in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de uitleg van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering, dat een verbod op doorlaten van verboden voorwerpen bevat. Verdachte en medeverdachte waren veroordeeld voor medeplegen van drugshandel en vuurwapenbezit. De kern van het cassatieberoep betrof de uitleg van het begrip 'weten' in dit artikel, waarbij werd betoogd dat het hof dit begrip te strikt had geïnterpreteerd.
De Hoge Raad stelt vast dat 'weten' in artikel 126ff Sv een hoge mate van zekerheid vereist, namelijk volledige zekerheid over de aanwezigheid en vindplaats van verboden voorwerpen door toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Dit volgt uit de tekst, parlementaire geschiedenis en het systeem van dwangmiddelen. Een ruimere uitleg, zoals een redelijk vermoeden, zou leiden tot ongewenste verplichtingen voor opsporingsambtenaren en manipulatie van onderzoeken.
De Hoge Raad bevestigt dat in de onderhavige zaak geen sprake was van volledige zekerheid bij de politie voorafgaand aan de inbeslagneming, zodat het hof het beroep terecht verwierp. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat het verbod op doorlaten primair een norm is die binnen het openbaar ministerie gehandhaafd moet worden, met disciplinaire sancties bij schending. Het beroep wordt verworpen en vernietiging is niet aan de orde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de beperkte uitleg van 'weten' in artikel 126ff Sv wordt bevestigd.