ECLI:NL:PHR:2002:AD9615
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verjaring van vordering tegen Staat na bestuursrechtelijke uitspraak
In deze zaak verzocht eiser in 1984 om een extra melkquotum, wat door de minister werd afgewezen. Na verschillende bestuursrechtelijke procedures, waaronder een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), stelde eiser in 1996 een civiele vordering tegen de Staat. De Staat voerde verjaring aan.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de vordering verjaard was, omdat de verjaringstermijn volgens de Wet van 1924 en het Burgerlijk Wetboek begon te lopen na de uitspraak van het CBB. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om bestuursrechtelijke besluiten te vernietigen, maar alleen de onrechtmatigheid kan vaststellen en schadevergoeding kan toewijzen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de overgangsrechtelijke aspecten van de verjaring en wijst klachten van eiser af. Ook het argument dat eiser niet wist dat hij bij de burgerlijke rechter kon aankloppen, faalt. De conclusie is dat de vordering niet tijdig is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de vordering van eiser verjaard en niet-ontvankelijk.