ECLI:NL:PHR:2002:AD8878
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafbaarheid en toepassing Europese accijnsrichtlijn op Wet op de Accijns
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem, waarin verzoeker werd veroordeeld wegens medeplichtigheid aan overtreding van artikel 5 van Pro de Wet op de Accijns. Verzoeker stelde dat de Wet op de Accijns niet in overeenstemming is met de Europese accijnsrichtlijn, met name inzake de strafbaarheid van het voorhanden hebben van accijnsgoederen.
De raadsman voerde aan dat de richtlijn het begrip 'uitslag tot verbruik' anders definieert dan de Nederlandse wet, waardoor strafbaarheid van het voorhanden hebben niet zou zijn toegestaan. De Hoge Raad analyseerde de relevante artikelen van de richtlijn en de Wet op de Accijns, en verwees naar een arrest van het Hof van Justitie dat bevestigt dat het voorhanden hebben van accijnsgoederen onder het begrip 'uitslag tot verbruik' valt.
De Hoge Raad concludeerde dat de richtlijn geen verbod inhoudt op strafbaarstelling door lidstaten van het ontduiken van accijns en dat de Nederlandse wetgeving hiermee in overeenstemming is. Het hof had het verweer van verzoeker moeten behandelen, maar het niet-responderen leidde niet tot cassatie omdat het verweer gegrond noch succesvol had kunnen zijn.
Het cassatieberoep werd verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplichtigheid aan overtreding van de Wet op de Accijns blijft in stand.