ECLI:NL:HR:2002:AD8878
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid voorhanden hebben accijnsgoederen in strijd met Europese richtlijn
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van sigaretten zonder accijnsheffing, in strijd met de Wet op de accijns. Verdachte voerde aan dat de relevante artikelen van de Wet op de accijns (artikelen 2f en 5) niet verenigbaar zijn met artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 92/12/EEG, en dat het bewezenverklaarde daardoor niet strafbaar zou zijn.
Het Hof had echter het verweer niet gemotiveerd afgewezen, wat volgens de Hoge Raad een vormverzuim is. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat het verweer inhoudelijk ongegrond is omdat het Hof terecht heeft vastgesteld dat het enkele voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder betaling van accijns gelijkstaat aan uitslag tot verbruik zoals bedoeld in de Europese richtlijn.
De Hoge Raad verwijst daarbij naar een arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2001 (zaak C-325/99) waarin is vastgesteld dat het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een schorsingsregeling leidt tot verschuldigdheid van accijns en strafbaarheid. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof dat verdachte strafbaar is gebleven voor het voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder heffing.
De uitspraak bevestigt de nationale strafrechtelijke sancties voor overtreding van de Wet op de accijns en de toepassing van Europese accijnsregels in het Nederlandse strafrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder betaling van accijns.