ECLI:NL:PHR:2002:AD8129
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aanzegging en taalvereiste bij toezending gerechtelijke stukken aan verdachte in Duitsland
De verdachte is in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank Almelo wegens Opiumwetdelicten. Bij de eerste behandeling van de zaak in de Hoge Raad verscheen verdachte, die aangaf de Nederlandse taal niet te beheersen en de procedure niet te begrijpen. De aanzegging van de zitting was op 23 augustus 2001 rechtstreeks aan verdachte in Duitsland toegezonden zonder vertaling.
De Hoge Raad stelt vast dat op grond van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (SUO) gerechtelijke stukken rechtstreeks kunnen worden toegezonden aan personen in andere Schengen-staten, maar dat indien de geadresseerde de taal niet beheerst, de essentie van het stuk vertaald moet worden in een taal die hij wel begrijpt. De lijst van gerechtelijke stukken die op deze wijze kunnen worden toegezonden was niet aangepast aan de herziening van de cassatieprocedure, maar het huidige art. 435 Sv Pro vereist ook een aanzegging die onder deze regeling valt.
De Hoge Raad concludeert dat verdachte alsnog een vertaling van de aanzegging in het Duits moet worden toegezonden, samen met een nieuwe termijn van 60 dagen om een raadsman in te schakelen. Omdat verdachte ter zitting is verschenen, is er geen reden om de zaak te seponeren, maar wordt de behandeling aangehouden tot een zittingsdag in mei 2002.
Uitkomst: De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden totdat aan verdachte een vertaling van de aanzegging is toegezonden en een nieuwe termijn is verstreken.