ECLI:NL:HR:2002:AD8129
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing taalkennis bij aanzegging in cassatieprocedure met verblijf in Duitsland
In deze strafzaak heeft de verdachte, woonachtig in Duitsland en niet machtig in het Nederlands, beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De Hoge Raad onderzocht de juiste wijze van aanzegging conform artikel 435 Sv Pro en het Schengenuitvoeringsakkoord (SUO), waarbij aan verdachte gerechtelijke stukken rechtstreeks in het buitenland werden toegezonden.
De verdachte verscheen bij de rolzitting van de Hoge Raad en gaf aan de Nederlandse taal niet te beheersen, waardoor de aanzegging niet begrepen kon worden. De Advocaat-Generaal concludeerde dat een nieuwe aanzegging met een Duitse vertaling van de essentie van het bericht aan de verdachte moest worden gezonden.
De Hoge Raad bevestigde dat bij rechtstreekse toezending van aanzeggingen aan een buitenlandse verdachte die de taal niet beheerst, een vertaling van de essentie in de taal van het verblijfplaatsland vereist is. De zaak werd aangehouden tot de rolzitting van mei 2002 om de vertaalde aanzegging te kunnen verzenden en een advocaat namens verdachte de middelen in te dienen.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat aan een buitenlandse verdachte die de Nederlandse taal niet beheerst een aanzegging met Duitse vertaling moet worden toegezonden en houdt de zaak aan.