ECLI:NL:PHR:2002:AD7696
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aanwezigheid vaste inrichting in Nederland voor loonbelastingheffing
Belanghebbende, een Belgische besloten vennootschap, verrichtte in 1996 activiteiten met tweedehands kleding, waaronder opslag, sortering, verpakking en verzending, deels vanuit een bedrijfspand in Nederland. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting op wegens het niet inhouden van loonbelasting over het loon van werknemers die in Nederland werkzaam waren.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende een vaste inrichting in Nederland had en dat personeel daar werkzaamheden verrichtte. Belanghebbende voerde in cassatie aan dat het begrip vaste inrichting onjuist was toegepast, dat de aanwezige personen geen werknemers waren en dat de bewijslast onjuist was verdeeld. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde dat het Hof zijn oordeel baseerde op niet-weerlegde vermoedens en dat de werkzaamheden in Nederland niet louter voorbereidende of hulpwerkzaamheden waren.
De Hoge Raad overwoog dat het begrip vaste inrichting in de Wet LB 1964 aansluit bij het OESO-modelverdrag en het Verdrag Nederland-België, waarbij werkzaamheden als sorteren en verpakken essentieel zijn en niet als hulpwerkzaamheden kunnen worden aangemerkt. Tevens werd de grensarbeidersregeling besproken, waarbij werd vastgesteld dat de regeling van toepassing was op één werknemer, maar dat dit geen materiële gevolgen had voor de aanslag. De klachten faalden en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen wordt bevestigd.