ECLI:NL:PHR:2002:AD7271
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over de verenigbaarheid van het gedifferentieerde omzetbelastingtarief voor water met Europese richtlijnen
In deze zaak staat centraal de vraag of het in 1999 geldende gedifferentieerde omzetbelastingtarief voor water, waarbij de eerste ƒ 60 per aansluiting per jaar werd belast tegen het lage tarief en het meerdere tegen het hoge tarief, verenigbaar is met de EG-richtlijnen. Belanghebbende, een waterdistributiebedrijf, bracht over februari 1999 btw in rekening tegen het hoge tarief en maakte bezwaar tegen de afwijzing daarvan.
Het Hof 's-Gravenhage oordeelde dat het gedifferentieerde tarief niet onverenigbaar is met de Europese richtlijnen. De Hoge Raad stelt echter vast dat de Zesde richtlijn geen duidelijkheid biedt over de toelaatbaarheid van verschillende tarieven voor dezelfde categorie goederen en dat het fiscale neutraliteitsbeginsel mogelijk wordt geschonden. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van het lage tarief voor al haar leveringen.
De Hoge Raad acht het niet zinvol prejudiciële vragen aan het Europese Hof te stellen en wijst het beroep af. De discretionaire bevoegdheid van lidstaten om verlaagde tarieven toe te passen betekent niet dat belanghebbende aanspraak kan maken op het lage tarief. Hiermee wordt bevestigd dat het gedifferentieerde tarief mogelijk strijdig is met de richtlijnen, maar dat dit geen directe gevolgen heeft voor de belastingplicht van belanghebbende over 1999.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het gedifferentieerde tarief blijft van toepassing.