ECLI:NL:PHR:2002:AD6631
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de ingangsdatum bij wijziging van alimentatie na echtscheiding
In deze zaak staat de vraag centraal welke ingangsdatum de rechter moet hanteren bij de wijziging van alimentatie na echtscheiding. De man betwist in cassatie het oordeel van het hof dat de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie is vastgesteld op de datum van de beschikking in eerste aanleg, terwijl de rechtbank de datum van het inleidend verzoekschrift had aangehouden.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 1:402 BW Pro de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft om de ingangsdatum van een alimentatieverplichting of wijziging daarvan te bepalen. Drie data komen in aanmerking: de datum waarop de omstandigheden intreden die bepalend zijn voor de alimentatie, de datum van het inleidend processtuk, en de datum van de rechterlijke beslissing. Welke datum het meest passend is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval.
De Hoge Raad stelt dat de rechter zijn beslissing moet motiveren, zeker wanneer partijen een inhoudelijk debat voeren over de ingangsdatum. De motivering hoeft niet elk argument te bespreken, maar moet begrijpelijk zijn en de afweging duidelijk maken. In deze zaak voldoet het hof aan deze motiveringseis.
De Hoge Raad wijst ook op het belang van het voorkomen van terugbetalingsverplichtingen die de betrokkene financieel zwaar kunnen treffen, en erkent dat de praktijk vaak uitgaat van de datum van het inleidend verzoek, maar dat hiervan kan worden afgeweken. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel onvoldoende grond biedt om het oordeel van het hof te verwerpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de discretionaire bevoegdheid van de rechter bij bepaling van de ingangsdatum van alimentatiewijziging wordt bevestigd.