ECLI:NL:PHR:2002:AD6266
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke aansprakelijkheid voor bezit beschermde havik ondanks EU-certificaat
Op 31 juli 1998 werd verdachte betrapt op het bezit van een havik, een beschermde vogel, zonder de vereiste Nederlandse vergunning. Hij voerde aan dat het bezit gerechtvaardigd was op grond van artikel 11 Vogelbesluit Pro 1994 en een Duits CITES-certificaat dat vrijstelling verleende van het EU-verbod op handel en bezit van bepaalde diersoorten.
Het hof oordeelde dat hoewel aan enkele voorwaarden van het Vogelbesluit was voldaan, niet was aangetoond dat de vogel overeenkomstig de Nederlandse wet binnen Nederland was gebracht, zoals vereist in artikel 11 onder Pro c. Het Duitse certificaat bood geen toestemming voor de noodzakelijke verplaatsing naar Nederland volgens EU-verordening 338/97.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het bezit als strafbaar heeft aangemerkt. De nationale regelgeving mag strengere eisen stellen dan de EU-verordeningen en het bezit zonder geldige Nederlandse vergunning blijft verboden. De Hoge Raad verwierp het verweer dat de strafrechter niet zelfstandig de noodzaak van nationale beperkingen mag toetsen.
De uitspraak onderstreept het belang van naleving van nationale vergunningen naast EU-certificaten bij het houden van beschermde diersoorten en bevestigt de strafrechtelijke handhaving van deze regels.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het bezit van de beschermde havik zonder geldige Nederlandse vergunning strafbaar is, ondanks het Duitse CITES-certificaat.