ECLI:NL:PHR:2002:AD6214

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00027/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 409 lid 2 SvArt. 451a SvArt. 588 lid 1 onder b sub 3 SvArt. 101a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens nietigheid appeldagvaarding niet tijdig aangevoerd

Verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld, gepleegd in vereniging. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis met twee middelen gericht op de aanzegging en de geldigheid van de appeldagvaarding.

Het eerste middel betrof de klacht dat de aanzegging van het appel niet aan het detentieadres van verdachte was betekend, maar aan de griffier, wat volgens verdachte in strijd was met art. 409 lid 2 Sv Pro. Het tweede middel stelde dat de appeldagvaarding nietig verklaard had moeten worden op grond van dezelfde feiten.

De Hoge Raad oordeelde dat het verweer omtrent de nietigheid van de appeldagvaarding niet tijdig was aangevoerd tijdens de terechtzitting in hoger beroep, waardoor het middel niet ontvankelijk was. Tevens werd geoordeeld dat de aanzegging conform de wettelijke bepalingen was verricht. Daarom faalden beide middelen en werd het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens niet-tijdige aanvoering van het verweer en correcte aanzegging.

Conclusie

Nr. 00027/01
Mr Machielse
Zitting 13 november 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 1998 voor diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden.
2. Verdachte heeft op de wijze als omschreven in art.451a Sv beroep in cassatie ingesteld.
Mrs G.P. Hamer en A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat art.409 lid 2 Sv Pro is geschonden omdat de aanzegging van het appel vanwege de officier van justitie niet aan het detentieadres van verdachte, die zonder inschrijvings- of verblijfadres in de vrije samenleving was, is betekend, maar op de voet van art.588 lid 1 onder Pro b sub 3 Sv is uitgereikt aan de griffier.
3.2. Het proces-verbaal van de ter terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de advocaat van de niet-verschenen verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd zoals in het arrest is weergegeven. Het arrest bevat een nadere bewijsoverweging die het hof heeft opgenomen ter weerlegging van een door de advocaat gevoerd verweer. Het arrest rept met geen woord over een verweer dat de aanzegging van het hoger beroep verkeerd zou zijn betekend, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zo een verweer niet is gevoerd. Het arrest waarnaar de stellers van het middel in de toelichting verwijzen kenmerkt zich door het feit dat daar wél zodanig verweer aan het hof is voorgelegd en dat het hof dat verweer had verworpen op een manier die volgens de Hoge Raad niet door de beugel kon. Evenals het geval is wanneer in een verstekzaak de wel verschenen advocaat geen beroep doet op nietigheid van de appeldagvaarding meen ik dat evenmin met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd over de wijze van betekening van de aanzegging van het appel van de officier.(1)
Daarom faalt het eerste middel.
4.1. Het tweede middel betoogt dat op de gronden die de schriftuur ter onderbouwing van het eerste middel aanvoert, het hof de appeldagvaarding nietig had moeten verklaren.
4.2. Nu de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep de nietigheid van de appeldagvaarding niet heeft bepleit is ook deze klacht tardief voorgesteld.
Ook het tweede middel faalt.
5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn mening op de voet van art.101a RO worden verworpen.
6. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 DD 98.226; noot van ThWvV onder HR NJ 1984,