ECLI:NL:PHR:2002:AD5366
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling duurzame gemeenschappelijke huishouding bij terugvordering bijstand
De zaak betreft een geschil tussen verzoekers en de gemeente Groningen over de terugvordering van bijstand die werd verleend op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) van 1963. De gemeente stelde dat verzoekers gedurende het bijstandstijdvak een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden, waardoor de bijstand ten onrechte werd verstrekt en teruggevorderd kon worden.
De kantonrechter en rechtbank hadden vastgesteld dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, waarbij vooral verklaringen van de vrouw tegenover ambtenaren van de sociale dienst als doorslaggevend bewijs werden gezien. Verzoekers voerden verweer en stelden onder meer dat de verklaringen niet door de vrouw waren ondertekend en dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden in het relevante tijdvak.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende aandacht had besteed aan het subsidiaire verzoek tot betalingsregeling en dat het oordeel over de ondertekening van verklaringen onduidelijk was. Daarom werd de eindbeschikking vernietigd en de zaak verwezen naar het hof voor een nadere beoordeling. Verder werden klachten over bewijslastverdeling en motivering deels verworpen, maar het belang van verzoekers bij de klacht over de ondertekening werd erkend.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het hof voor nadere beoordeling.