ECLI:NL:PHR:2002:AD3572
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ondernemerschap van directeur-grootaandeelhouder voor omzetbelasting en fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal of een directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap (BV), die uitsluitend werkzaamheden tegen vergoeding voor zijn vennootschap verricht, als ondernemer in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt. Belanghebbende is directeur en houdt 75% van de aandelen in A B.V. Hij bracht management fees en kosten in rekening aan de BV, maar voerde geen volledige boekhouding en bewaarde niet alle inkoopfacturen.
De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op omdat belanghebbende volgens het Hof niet als ondernemer kwalificeert, mede omdat hij alleen aan zijn BV leverde en niet voldeed aan administratieve verplichtingen. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij cassatie instelde.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld dat alleen prestaties aan meerdere opdrachtgevers ondernemerschap kunnen rechtvaardigen. Wel is de vraag of belanghebbende als directeur-grootaandeelhouder zelfstandig optreedt, essentieel. Artikel 4 lid 4 van Pro de Zesde richtlijn sluit loontrekkenden en personen met een ondergeschiktheidsverhouding uit van belastingplicht, maar het is onduidelijk of dit ook geldt voor directeur-grootaandeelhouders met zeggenschap.
De Hoge Raad stelt vast dat de feitelijke omstandigheden onvoldoende zijn vastgesteld om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst of zelfstandigheid. Ook is onduidelijk of belanghebbende en de BV een fiscale eenheid vormen, mede vanwege het ontbreken van een beschikking van de inspecteur.
Daarom concludeert de Hoge Raad dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk zijn om de uitleg van artikel 4 lid 4 van Pro de Zesde richtlijn te verduidelijken, met name of een directeur-grootaandeelhouder als loontrekkende moet worden aangemerkt en daarmee van belastingplicht wordt uitgesloten.
Uitkomst: De Hoge Raad besluit de zaak te schorsen en prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EG over de uitleg van artikel 4 lid 4 van de Zesde richtlijn betreffende het ondernemerschap van directeur-grootaandeelhouders.