ECLI:NL:PHR:2001:ZD2520
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep tegen uitleveringsbeslissing inzake amfetaminehandel aan Zweden
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank Amsterdam die de uitlevering van een opgeëiste persoon aan Zweden deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar heeft verklaard. De feiten betreffen handel en bezit van amfetamine en metamfetamine, stoffen die zowel in Nederland als Zweden strafbaar zijn.
De verdediging voerde meerdere middelen aan, waaronder de ontoereikendheid van de stukken, onduidelijkheid over de aard van de inbeslaggenomen stof (MDMA versus amfetamine), en het ontbreken van lijsten met verboden stoffen. De rechtbank stelde dat de toetsing van rechtmatigheid van opsporing aan de rechter in Zweden toekomt en dat de uitleveringsrechter slechts marginaal toetst. Tevens werd het specialiteitsbeginsel bevestigd, waarbij de opgeëiste persoon niet voor andere feiten dan de toegelaten mag worden vervolgd.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet onjuist heeft geoordeeld door de Zweedse omschrijving van de feiten maatgevend te achten, dat de stukken genoegzaam zijn, en dat het ontbreken van bepaalde bewijsstukken niet leidt tot cassatie. Ook het beroep op het gericht zijn van de misdrijven tegen Zweden faalt, aangezien dit een strafverzwarende omstandigheid betreft die buiten de uitleveringsprocedure valt.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep faalt en bevestigt de beslissing van de rechtbank. De uitlevering is daarmee deels toelaatbaar verklaard voor de feiten zoals omschreven in het uitleveringsverzoek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Zweden deels toegestaan.