Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2001:ZD2520

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
03578/00 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.M.M. Orie
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROVerdrag inzake Psychotrope Stoffen (Wenen, 21 februari 1971)Europees Verdrag betreffende uitlevering (Parijs, 13-12-1957)Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt deels toelaatbare uitlevering aan Zweden ondanks ontbreken lijst verboden stoffen

De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam die de uitlevering aan Zweden deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar verklaarde. Het geschil spitste zich toe op het ontbreken van een lijst met in Zweden verboden verdovende middelen, waardoor niet kon worden vastgesteld of de stoffen MDMA en (met)amfetamine in Zweden verboden waren.

De Rechtbank overwoog dat deze stoffen voorkomen op de lijst van het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen (Wenen, 1971), waarbij zowel Nederland als Zweden partij zijn, en ging ervan uit dat deze stoffen ook in Zweden verboden zijn. Dit oordeel werd niet onjuist of onbegrijpelijk geacht.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzuim van Zweden om de lijst met verboden stoffen te overleggen niet leidt tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering. Het cassatieberoep faalde in alle onderdelen en werd verworpen. Hiermee bleef de deels toelaatbare uitlevering aan Zweden in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de deels toelaatbare uitlevering aan Zweden.

Uitspraak

27 maart 2001
Strafkamer
nr. 03578/00 U
KD/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 oktober 2000, parketnummer 13/097061/2000, op een verzoek van het Koninkrijk Zweden tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Zweden) op [geboortedatum] 1947, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Almere Binnen" te Almere.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk Zweden deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.
2.Geding in cassatie
Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de bestreden uitspraak voorzover daarbij de uitlevering
ontoelaatbaar is verklaard, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. J. Kuijper,
advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard terwijl de stukken ongenoegzaam zijn, omdat een lijst met vermelding van de stoffen die naar Zweeds recht als verdovende middelen worden aangemerkt ontbreekt.
3.2. De bestreden uitspraak houdt in dat namens de opgeëiste persoon ter zitting van de Rechtbank als verweer is gevoerd:
"De lijst(en) van in Zweden verboden verdovende middelen ontbreken, zodat niet kan worden vastgesteld of de in de stukken genoemde stoffen MDMA en (met)amfetamine in Zweden verboden zijn".
De Rechtbank heeft omtrent dat verweer overwogen en beslist:
"Dit verweer stuit af op de omstandigheid dat de stoffen MDMA en (met)amfetamine voorkomen op de lijst behorend bij het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen (Wenen, 21 februari 1971), bij welk Verdrag zowel Nederland als Zweden aangesloten zijn. Op die grond moet de rechtbank ervan uitgaan dat deze stoffen ook in Zweden verboden zijn. Nader onderzoek is derhalve niet nodig".
3.3. In aanmerking genomen dat
(a) amfetamine en metamfetamine stoffen zijn die voor-
komen op Lijst 2 bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen (Trb. 1989, 129), welk verdrag de staten die daarbij partij zijn - zoals de verzoekende staat - verplicht tot strafbaarstelling van gedragingen met betrekking tot die stoffen en tot samenwerking op het terrein van de rechtshulp en uitlevering, en
(b) de Rechtbank te Göteborg de bewaring van de opgeëiste persoon heeft bevolen op grondslag van vorderingen van het Openbaar Ministerie waarin gedragingen met betrekking tot (met)amfetamine worden beschreven,
getuigt het oordeel van de Rechtbank dat het verzuim van de verzoekende staat om de lijst over te leggen van stoffen die als verdovende middelen gelden in de zin van de overgelegde wettelijke bepalingen, niet behoeft te leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
3.4. Voorzover het middel beoogt te klagen over de
onder 3.2 weergegeven overweging van de Rechtbank met betrekking tot MDMA heeft de opgeëiste persoon bij die klacht geen belang nu de uitlevering niet toelaatbaar is verklaard voor handelingen met betrekking tot die stof.
3.5. Het middel faalt mitsdien in al zijn onderdelen.
4. Beoordeling van het eerste, tweede, derde, vijfde en zesde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en
de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2001.