ECLI:NL:PHR:2001:ZD2170

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
03410/00 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552f lid 3 SvArt. 33c SrArt. 36b Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking onttrekking speelautomaten wegens termijnoverschrijding en procedurele fouten

De rechtbank Arnhem heeft op 19 juli 1996 zes speelautomaten aan het verkeer onttrokken op vordering van de officier van justitie. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld, dat door het gerechtshof Arnhem op 12 november 1997 werd omgezet in cassatie, waarna de stukken op 19 mei 2000 bij de Hoge Raad zijn ontvangen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad constateert dat er ruim tweeënhalf jaar is verstreken tussen de conversie van het hoger beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Daarnaast zijn de toepasselijke wetsartikelen niet adequaat vermeld in de beschikking en is niet voldaan aan de oproepingsvereisten van de eigenaren van de speelautomaten conform art. 552f lid 3 Sv.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de beschikking van de rechtbank niet in stand kan blijven en dat de zaak moet worden vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem voor een nieuwe beslissing met inachtneming van de Hoge Raad-beslissing.

Uitkomst: De beschikking tot onttrekking van speelautomaten wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem.

Conclusie

Nr. 03410/00/B
Mr Machielse
Parket, 6 maart 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. De rechtbank Arnhem heeft op 19 juli 1996 op vordering van de officier van justitie zes speelautomaten, die op 30 juni 1994 in het [casino] waren inbeslaggenomen, aan het verkeer onttrokken verklaard.
2. Op 25 juli 1996 heeft mr. J.A. Bruins, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof te Arnhem heeft op 12 november 1997 het hoger beroep verstaan als beroep in cassatie en bepaald dat de stukken naar de Hoge Raad zouden worden gezonden. Op 19 mei 2000 zijn de stukken ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. Cassatiemiddelen zijn niet voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende. De vordering tot onttrekking aan het verkeer van 2 mei 1996 vermeldt dat de speelautomaten in de zaak tegen [verdachte] zijn inbeslaggenomen, dat geen vervolging zal worden ingesteld,(1) en dat de inbeslaggenomen voorwerpen toebehoren aan [rechtspersoon 1] en aan [rechtspersoon 2]. Mr. L.J. Speijdel, advocaat te Enschedé, die namens de eigenaren van de automaten zich tot de officier van justitie had gewend, is kennelijk op de hoogte gesteld van de raadkamerbehandeling, maar is niet verschenen. Niet blijkt dat de eigenaren van de automaten zelf zijn opgeroepen. Het komt mij voor dat zulks in ieder geval op grond van art. 552f lid 3 Sv (ook) had dienen te geschieden.
4. De eis van behandeling binnen een redelijke termijn geldt ook voor de procedure op een afzonderlijke vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer.(2) Tussen de conversie van het hoger beroep in cassatie op 12 november 1997 en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad zijn ruim twee jaren en zes maanden verstreken. De redelijke termijn lijkt mij hier ruimschoots overschreden. Gronden die een dergelijke overschrijding zouden kunnen verklaren heb ik niet aangetroffen.
Op beide ambtshalve aangevoerde gronden meen ik dat de beschikking van de rechtbank niet in stand kan blijven.(3)
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar het gerechtshof te Arnhem dat alsnog - met inachtneming van 's Hogen Raads beslissing - op de vordering zal dienen te beslissen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Eigenaardige mededeling omdat zich in het dossier ook een arrest bevindt van het gerechtshof te Arnhem waarbij [verdachte] op 2 oktober 1995 bij verstek voor een overtreding van de Wet op de kansspelen is veroordeeld. Maar de mogelijkheid van een vordering tot onttrekking achteraf is niet uitgesloten; HR NJ 1995,176.
2 HR NJ 1989,598; HR NJ 1992,817; HR NJ 1993,492; HR NJ 1994,489.
3 Evenmin zijn de toepasselijke wetsartikelen adequaat in de beschikking vermeld. Dat zou de Hoge Raad nog wel eigenhandig kunnen corrige