ECLI:NL:PHR:2001:ZD1856

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
03070/00
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 SrArt. 218 SrArt. 101a RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen en bezit van door misdrijf verkregen voorwerpen zonder aannemelijkheid psychische overmacht

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond bevestigd, waarbij verdachte is veroordeeld voor het gewoonte maken van het opzettelijk verwerven, voorhanden hebben en overdragen van door misdrijf verkregen voorwerpen, alsmede voor medeplegen van het valselijk plaatsen van merken op goederen met het oogmerk deze als echt te gebruiken.

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat sprake was van psychische overmacht omdat zijn gezin werd bedreigd, waardoor hij geen andere keuze had dan de strafbare feiten te plegen. Het hof heeft dit verweer echter verworpen omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden aan deze dwang.

De Hoge Raad toetst dit oordeel en stelt vast dat het hof de feiten en omstandigheden voldoende heeft gewogen en dat de stellingen van verdachte niet aannemelijk zijn geworden. Het hof heeft de verwerping van het beroep op psychische overmacht voldoende gemotiveerd en dit oordeel is feitelijk van aard, waardoor cassatie niet kan slagen.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens is onttrekking aan het verkeer van een aantal voorwerpen bevolen. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en wijst het beroep op psychische overmacht af.

Conclusie

Nr. 03070/00
Mr Machielse
Zitting: 22 mei 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 15 december 1999 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewijsvoering, de kwalificatie van het onder 2., 3. en 4. bewezenverklaarde, de overwegingen omtrent de strafbaarheid van verzoeker en de motivering van de op te leggen straf. Aldus is verzoeker veroordeeld ter zake van 1. "een gewoonte maken van het opzettelijk verwerven, voorhanden hebben en of overdragen van door misdrijf verkregen voorwerpen " en 2., 3. en 4. telkens opleverend "medeplegen van andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijke voorschriften op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren" tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de onttrekking aan het verkeer van een aantal voorwerpen bevolen, zoals in het arrest weergegeven.
2. Namens verzoeker heeft mr. V.A.P.M. Malherbe, advocaat te Roermond, één middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel bevat de klacht dat het hof de verwerping van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op psychische overmacht niet althans niet genoegzaam naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
3.2. Het bestreden arrest houdt onder het kopje "De strafbaarheid van de verdachte" het volgende in:
"Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er bij verdachte sprake zou zijn van psychische overmacht, omdat zijn gezin werd bedreigd en hij enkel om die reden de strafbare feiten zou hebben begaan.
Het hof verwerpt dit verweer.
Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van psychische dwang waar verdachte redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden."
3.3. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het gevoerde verweer, mist het dus feitelijke grondslag.
3.4. De steller van het middel betoogt, met een beroep op HR NJ 1982, 161, voorts dat het hof in het midden heeft gelaten of het de aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk heeft geacht, of heeft geoordeeld dat die omstandigheden een beroep op psychische overmacht niet rechtvaardigen.
3.5. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat verzoeker de hem aangeboden gestolen voertuigen vrijwillig op het terrein van zijn bedrijf stalde, danwel kocht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (bewijsmiddelen 1, 2, 4, 6, 7, 9, 11, 12, 13, 16, 19, 20, 22, en 23 ten aanzien van feit 1, AM) en ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 vrijwillig zijn medewerking aan het plegen van het feit verleende of daar zelf het initiatief toe nam (bewijsmiddelen 1, 7, 12, 13, 22, 26, 27, 30 en 31, AM).
3.6. In het licht van die vaststellingen kan de overweging van het hof naar mijn mening redelijkerwijze niet anders worden verstaan dan dat de door de raadsvrouwe van verzoeker gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Aldus verstaan is 's hofs beslissing niet onbegrijpelijk en kan deze, als van feitelijke aard, in cassatie niet verder ten toets komen. Het zou anders kunnen liggen als het hof enkel zou hebben overwogen dat "overmacht niet aannemelijk is".1
3.6. Het middel faalt dus en kan op de voet van art. 101a RO worden verworpen.
4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Vgl. HR 22 juni 1999, nr. 111.225.