ECLI:NL:PHR:2001:ZD1852

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02177/00
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14ter Richtlijn 80/217/EEGArt. 2 Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkensArt. 30 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 101a Wetboek van StrafvorderingRichtlijn 80/217/EEG
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake overtreding vervoersverbod varkens in samenhang met Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Verzoekster werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot twee geldboetes wegens het meermalen overtreden van een vervoersverbod voor vrachtauto's bestemd voor het vervoer van varkens zonder de vereiste kenmerk. Het cassatieberoep richtte zich tegen de geldboetes en stelde dat het vervoersverbod en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onverbindend zouden zijn vanwege strijd met Europese richtlijnen.

De Hoge Raad oordeelde dat verzoekster geen belang had bij het betwisten van het rampenplan op basis van de Richtlijn inzake bestrijding van klassieke varkenspest, aangezien zij veroordeeld was op grond van een ministeriële regeling. Daarnaast ontbrak het aan concrete en gemotiveerde klachten over de vermeende strijdigheid van de nationale wetgeving met de Europese richtlijnen.

Daarmee faalden de klachten en werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad vond geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het bestreden arrest en sloot het geding af met een verwijzing naar de toepasselijke cassatieregeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de geldboetes wegens overtreding van het vervoersverbod bleven in stand.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 2177/00 E
Zitting: 15 mei 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoekster is door het gerechtshof te Arnhem bij uitspraak van 31 januari 2000 ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, tweemaal gepleegd" veroordeeld tot twee geldboetes, elk van f. 1000. Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 580/00 E, 1863/00 E, 2945/00 E, 2948/00 E en 2949/00 E.
2. Namens verzoekster heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel omvat twee klachten. De eerste klacht luidt dat hoofdstuk II afdeling 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren onverbindend is vanwege strijd met de Richtlijn van 22 januari 1980 inzake de bestrijding van klassieke varkenspest (80/217/EEG) en de Richtlijn van 17 december 1992 inzake de bestrijding bepaalde dierziekten en vesculaire varkensziekte (92/119/EEG). De inhoud van de Richtlijnen wordt in bedoelde wet volgens de steller van de klacht op veel te ruime wijze uitgelegd. Zonder nadere motivering - die ontbreekt - is evenwel niet duidelijk op welk(e) punt(en) de Gezondheids- en welzijnswet volgens de steller van de klacht te ruim en daarmee strijdig met de richtlijnen is uitgelegd. Onder die omstandigheden acht ik mij ontslagen van de verplichting op deze klacht in te gaan (vgl. HR mei 2000, zaaknummer 01069/99 en HR 13 maart 2001, zaaknummer 00207/00/E).
4. De tweede in het middel opgenomen klacht strekt ten betoge dat het vervoersverbod, zoals opgenomen in het op basis van artikel 14ter, vierde lid, Richtlijn 22 januari 1980 inzake Bestrijding van klassieke varkenspest opgestelde rampenplan, onverbindend zou zijn.
Verzoekster heeft echter geen belang bij een beroep op onverbindendheid van bedoeld rampenplan, aangezien verzoekster veroordeeld is wegens het meermalen overtreden van het verbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b sub 2°, van de Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens (Ministeriële regeling van 15 september 1997 Stcrt. 97. 177, zoals gewijzigd bij Ministeriële regeling van 13 oktober 1997, Stcrt. 97. 196), te weten: dat verzoekster binnen het gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van die Regeling vrachtauto's, kennelijk bestemd voor het vervoer van varkens, heeft vervoerd, zonder dat deze op overeenkomstig de aanwijzingen van de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees goed zichtbare plaatsen voorzien waren van een door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees voor dat betreffende gebied bepaalde kenmerk.
De klacht faalt.
5. Voor het overige heb ik in het middel geen concrete klachten kunnen ontwaren die voldoen aan de in de reeds genoemde jurisprudentie gestelde eisen.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden