ECLI:NL:PHR:2001:ZC8115
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over overgangsregeling en minimumhuurprijs bij belaste verhuur van onroerende zaken
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de overgangsregeling in art. V, lid 9 Wet Stb. 95/659, die de belaste verhuur van onroerende zaken regelt. De belanghebbende verhuurde een kantoorpand aan A B.V., die een deel daarvan onderverhuurde aan het ministerie C. De vraag was of de overgangsregeling ook op onderverhuur van toepassing is en of de staatssecretaris bij het vaststellen van de minimumhuurprijs zijn bevoegdheid heeft overschreden.
Het Hof had geoordeeld dat de overgangsregeling niet ziet op onderverhuur, omdat deze regeling bedoeld is om te voorkomen dat eigenaren/verhuurders geconfronteerd worden met herziening van eerder afgetrokken voorbelasting. De Hoge Raad overweegt dat hoewel de tekst van de regeling niet expliciet onderscheid maakt, het begrip 'verhuurder' in de context van de herzieningsperiode beperkt moet worden tot de eigenaar/verhuurder om willekeurige en merkwaardige situaties te voorkomen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de staatssecretaris niet buiten zijn bevoegdheid is getreden door in de ministeriële regeling een minimumhuurprijs te stellen als percentage van de stichtingskosten, ook al biedt deze regeling geen mogelijkheid tot tegenbewijs van een lagere reële huurprijs. De klachten van de belanghebbende worden ongegrond verklaard. Daarnaast bespreekt de conclusie de verhouding tot het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en de jurisprudentie van het HvJ EG, waarbij wordt vastgesteld dat terugwerkende kracht in dit kader onder voorwaarden is toegestaan.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de overgangsregeling ziet niet op onderverhuur en de minimumhuurprijs is rechtmatig vastgesteld.