ECLI:NL:PHR:2001:ZC8085
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende is vennootschapsbelastingplichtig voor activiteiten via commanditaire vennootschappen
Deze zaak betreft de aanslag vennootschapsbelasting 1989 opgelegd aan belanghebbende, een commanditair vennoot in meerdere commanditaire vennootschappen (CV's), waaronder C.V. L. De Inspecteur stelde dat belanghebbende belastingplichtig is op grond van artikel 2, zevende lid, Wet Vpb 1969, hetgeen door het hof werd verworpen. Het hof oordeelde dat de ondernemingsactiviteiten van de CV's niet aan belanghebbende konden worden toegerekend en dat de werkzaamheden niet als een onderneming in de zin van de wet konden worden aangemerkt.
De Procureur-Generaal betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de activiteiten van E C.V. en C.V. L niet aan belanghebbende kunnen worden toegerekend, aangezien zij voor een derde deel gerechtigd is tot de winsten en stille reserves van deze CV's. Tevens stelt hij dat de werkzaamheden van deze CV's, waaronder het reinigen en scheiden van slib, moeten worden beschouwd als het drijven van een nijverheidsbedrijf, zodat belanghebbende als commanditair vennoot vennootschapsbelastingplichtig is.
De conclusie van de A-G is dat het beroep gegrond moet worden verklaard, het hofarrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden verwezen naar een ander hof om de belastbare winst van belanghebbende vast te stellen die zij heeft behaald met de nijverheidsbedrijven via E C.V. en C.V. L. Hiermee wordt bevestigd dat de fiscale kwalificatie van de activiteiten en de toerekening aan de commanditaire vennoot essentieel zijn voor de belastingheffing.
De zaak benadrukt het belang van een juiste interpretatie van artikel 2, derde en zevende lid, Wet Vpb 1969, en de fiscale behandeling van commanditaire vennootschappen en hun vennoten in het kader van vennootschapsbelasting.
Uitkomst: Het hofarrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de belastbare winst van belanghebbende.