ECLI:NL:HR:2001:ZC8085

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
36267
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging vennootschapsbelastingaanslag na beroep belanghebbende

In deze zaak is aan belanghebbende, Rotterdam Afvalverwerking N.V., voor het jaar 1989 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ƒ 7.472.087. Na bezwaar is deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde zowel de uitspraak van de Inspecteur als de aanslag.

De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof en voerde twee middelen aan. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing naar een ander gerechtshof. Belanghebbende reageerde schriftelijk op deze conclusie.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde middelen niet tot cassatie konden leiden, mede gelet op artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De middelen behoefden geen nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het cassatiegeding, waarbij rekening werd gehouden met samenhangende zaken. Tevens werd een recht geheven van ƒ 630 aan de zijde van de Staatssecretaris.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de aanslag vennootschapsbelasting bevestigd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 36.267
13 juli 2001
JMH
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 mei 2000, nr. BK-96/02337, betreffende na te melden aan Rotterdam Afvalverwerking N.V. te Rotterdam opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 7.472.087, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek en belanghebbende een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal L.F. van Kalmthout heeft op 9 maart 2001 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 36266 en 36268 tot en met 36271 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op eenzesde van f 5325, derhalve ƒ 887,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2001.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 630.