ECLI:NL:PHR:2001:ZC8084
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht van een gemeente-aandeelhoudersvennootschap voor vennootschapsbelasting over nijverheidsbedrijf
De zaak betreft de belastingplicht van een NV, geheel in handen van een gemeente, over het jaar 1988. De NV had een deel van de activiteiten van een andere NV overgenomen, namelijk de verbranding van chemisch afval, en bracht deze in een commanditaire vennootschap (CV) in, waarin zij als commanditair vennoot participeerde. Het hof had geoordeeld dat de NV geen onderneming uitoefende en dat de activiteiten van de CV niet aan haar konden worden toegerekend, waardoor de aanslag vennootschapsbelasting werd vernietigd.
De Hoge Raad stelt dat een lichaam waarvan een publiekrechtelijk lichaam de enige aandeelhouder is, een bedrijf uitoefent indien dat bedrijf voor rekening van dat lichaam wordt gedreven, ook als het lichaam commanditair vennoot is met medegerechtigdheid tot het gehele ondernemingsvermogen. De vernietiging van afval door verbranding wordt als een nijverheidsbedrijf aangemerkt, passend binnen de opsomming van artikel 2, derde lid, Wet Vpb 1969.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling van de belastbare winst die de NV behaalt met het nijverheidsbedrijf in de CV. Hiermee wordt bevestigd dat de NV belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting over deze activiteiten, ondanks haar positie als commanditair vennoot.
De conclusie benadrukt tevens de taalkundige en wetsgeschiedenis van het begrip nijverheidsbedrijf en de fiscale positie van indirecte overheidsbedrijven, waarbij het belang van een objectgerichte benadering van de onderneming wordt onderstreept.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de NV belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting over het nijverheidsbedrijf dat zij via de commanditaire vennootschap uitoefent en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling.