ECLI:NL:PHR:2001:ZC3685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens valse aangifte zedendelict en mishandeling
Partijen waren getrouwd en hebben drie minderjarige dochters. Na hun echtscheiding deed de vrouw aangifte van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling door de man in de periode 1988-1991. De officier van justitie besloot tot niet-vervolging wegens onvoldoende bewijs. De man vorderde in civiele procedure dat de vrouw onrechtmatig handelde door het doen van een valse aangifte en eiste schadevergoeding.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af. Het hof oordeelde dat de verklaring van de vrouw redelijk was en dat getuigenverklaringen van haar zuster en oppas de aangifte ondersteunen, ook al waren zij niet direct getuige van het delict. De beslissing tot niet-vervolging betekent niet dat de aangifte vals is. De man droeg de bewijslast voor de valsheid, die hij niet kon leveren.
De Hoge Raad bevestigde het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat het motief van de vrouw om aangifte te doen, ook al is dat uit wraak, niet betekent dat de aangifte onwaar is. De waardering van getuigenverklaringen is aan de feitenrechter en kan in cassatie niet worden getoetst. De man werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afwijzing van de vordering wegens valse aangifte.