ECLI:NL:PHR:2001:AD4525
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onmogelijkheid voortzetting toegroeiregelingen na fusie waterschappen
In deze zaak gaat het om de vraag of toegroeiregelingen, die een geleidelijke tariefaanpassing bij samenvoeging van waterschappen beogen, na de fusie van waterschappen mogen worden voortgezet. Belanghebbende, eigenaar van ongebouwde bemalen onroerende zaken, maakte bezwaar tegen de aanslagen waterschapsomslag 1995, omdat de toegroeiregeling niet meer werd toegepast.
De lagere bestuursorganen en het hof verklaarden het bezwaar ongegrond en bevestigden dat de toegroeiregeling niet meer kon worden toegepast vanwege artikel 171 van Pro de Waterschapswet, dat reglementen die niet in overeenstemming zijn met de wet na drie jaar doen vervallen. De Hoge Raad bevestigt dat het systeem van omslagklassen en kostentoedeling in de Waterschapswet geen tariefverschillen toestaat die niet zijn gebaseerd op fysieke gesteldheid van onroerende zaken.
Belanghebbende voerde aan dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel een compensatieplicht van het Waterschap meebrengt, bijvoorbeeld via een afkoopsom of eenmalige korting. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever bij het opstellen van de Waterschapswet rekening heeft gehouden met bestaande toegroeiregelingen en bewust heeft gekozen deze niet voort te zetten na fusie, waardoor de rechter deze niet buiten toepassing mag laten. Ook is het Waterschap niet verplicht een compensatie te bieden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat de middelen van belanghebbende ongegrond zijn en dat de aanslagen terecht zijn vastgesteld zonder toepassing van de toegroeiregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatiemiddelen ongegrond en bevestigt dat de toegroeiregeling na fusie niet meer toegepast mag worden zonder compensatie.