ECLI:NL:PHR:2001:AD3965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij onrechtmatige daad met schade in Duitsland
In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering wegens onrechtmatige daad op grond van art. 5 aanhef Pro en sub 3 EEX. Verweerster, woonachtig in Nederland, vordert schadevergoeding van eiser, woonachtig in Duitsland, wegens seksueel misbruik dat in Duitsland heeft plaatsgevonden en dat heeft geleid tot psychische klachten in Nederland.
De Rechtbank en het Hof hadden geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd was omdat de schade zich in Nederland had geopenbaard. Eiser kwam hiertegen in cassatie en betoogde dat zowel het schadetoebrengende feit als de schade zich in Duitsland hadden voorgedaan, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd was.
De Hoge Raad verwijst naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de bevoegdheid op grond van art. 5 aanhef Pro en sub 3 EEX restrictief moet worden uitgelegd en dat onder "plaats waar de schade is ingetreden" alleen de plaats wordt verstaan waar de daadwerkelijke aantasting van lijf of goed heeft plaatsgevonden. Omdat het feit en de schade beide in Duitsland zijn, kan de Nederlandse rechter geen bevoegdheid ontlenen aan deze bepaling.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van de vordering. De zaak wordt daarmee afgedaan zonder verwijzing naar het Hof van Justitie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd op grond van art. 5 aanhef en sub 3 EEX omdat zowel het schadetoebrengende feit als de schade in Duitsland hebben plaatsgevonden.