ECLI:NL:PHR:2001:AB2066
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijs bij vordering uitlevering verdovende middelen zonder cautie
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het meermalen opzettelijk verkopen en aanwezig hebben van heroïne en cocaïne. In cassatie werd aangevoerd dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de politie bij de vordering tot uitlevering van verdovende middelen aan de verdachte geen cautie had gegeven. Het hof had dit verweer verworpen, stellende dat de vondst van de drugs niet berustte op de vordering tot uitlevering, maar op een veiligheidsfouillering en zichtbare vondsten in de woning.
De Hoge Raad bevestigde dat de bevoegdheid van opsporingsambtenaren om uitlevering te vorderen ook aan de verdachte kan worden gericht, zonder dat daaraan de verplichting tot het geven van cautie verbonden is. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Opiumwet en eerdere jurisprudentie over vergelijkbare bevoegdheden. De Raad overwoog dat de vordering niet gericht was op het verkrijgen van een belastende verklaring, maar op het verkrijgen van voorwerpen, en dat er een redelijk vermoeden van schuld moet zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs niet onrechtmatig was verkregen en verwierp het cassatiemiddel. De veroordeling van de verdachte bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde dat het bewijs rechtmatig was verkregen en verwierp het cassatieberoep.