ECLI:NL:PHR:2001:AB1817
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke veroordeling voor openbare aanzetten tot haat en belediging
Verzoeker werd door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld wegens openbare aanzetten tot haat, discriminatie en geweld tegen mensen wegens hun ras, alsmede voor belediging. De veroordeling betrof uitlatingen gedaan tijdens bijeenkomsten in horecagelegenheden die voor iedereen toegankelijk waren en waar journalisten aanwezig waren, waardoor de uitlatingen als openbaar werden aangemerkt.
Verzoeker voerde in cassatie aan dat de bewezenverklaring onvoldoende onderbouwd was, met name dat de uitlatingen niet in het openbaar zouden zijn gedaan. Hij stelde dat latere vergelijkbare bijeenkomsten zonder vervolging hadden plaatsgevonden, en dat er sprake was van toegangscontrole. De Hoge Raad oordeelde dat feitenonderzoek in cassatie niet aan de orde is en dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat de bijeenkomsten openbaar waren, mede door de aanwezigheid van journalisten en media.
De Hoge Raad besprak uitgebreid het begrip 'in het openbaar' binnen de strafrechtelijke context, waarbij het niet noodzakelijk is dat de plaats fysiek openbaar is, maar dat de uitlatingen door derden buiten een besloten kring kunnen worden opgevangen. Ook werd benadrukt dat de verdachte voorzorgsmaatregelen moet treffen om uitlatingen binnen een besloten kring te houden.
De Hoge Raad verwierp de klachten van verzoeker en bevestigde het oordeel van het hof dat verzoeker zich bewust was van de mogelijkheid dat zijn uitlatingen buiten de besloten kring zouden worden gehoord en verspreid. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak, zodat het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verzoeker wegens openbare aanzetten tot haat en belediging.