ECLI:NL:PHR:2001:AB1333
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid ondanks overschrijding redelijke termijn bij milieuvergunningzaak asfaltrecyclingcentrale
In deze zaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verzoekster wegens het oprichten van een asfaltrecyclingcentrale zonder de vereiste milieuvergunning. Het hof had vastgesteld dat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling ter terechtzitting meer dan 28 maanden waren verstreken, wat een overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro betekende. Desondanks oordeelde het hof dat het maatschappelijk belang bij vervolging zwaarder woog dan het belang van verzoekster bij niet-ontvankelijkheid, en handhaafde de ontvankelijkheid.
Voorts oordeelde het hof dat de aanleg en bouw van de asfaltrecyclingcentrale een vergunningplichtige verandering van de inrichting vormde, ook al was de bouw nog niet voltooid. Dit oordeel werd ondersteund door eerdere jurisprudentie en de uitleg van het begrip 'verandering' in de Wet milieubeheer. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot cassatie en verwierp het beroep.
De zaak illustreert de afweging tussen redelijke termijn en maatschappelijke belangen, alsmede de uitleg van vergunningplichtige veranderingen in milieurechtelijke zin. De sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast bij termijnoverschrijding, waarbij strafvermindering een passendere sanctie kan zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling wegens overtreding van de Wet milieubeheer bevestigd.