ECLI:NL:PHR:2001:AB1068
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belangenafweging bij vervangende toestemming erkenning kind
In deze zaak verzocht de biologische vader om vervangende toestemming voor erkenning van zijn kind nadat de moeder haar toestemming had geweigerd. De rechtbank verleende deze toestemming en het hof bevestigde dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind noch die van het kind schaadde.
De moeder stelde cassatie in en voerde aan dat het hof had moeten vaststellen dat erkenning de belangen van moeder en kind niet zou schaden, en dat de bewijslast bij de vader lag om dit aannemelijk te maken. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de wetgever aan de rechter een belangenafweging heeft opgedragen waarbij ieder zijn eigen belang moet stellen en aannemelijk maken.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat emotionele weerstand van de moeder onvoldoende is om erkenning te weigeren, tenzij deze weerstand belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind. Ook werd bevestigd dat de duur van de zorg door de vader niet doorslaggevend is voor de beoordeling van het verzoek. Het bewijsaanbod van de moeder over een islamitische opvoeding werd door het hof terecht niet toegelaten.
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde daarmee het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij vervangende toestemming voor erkenning, waarbij het belang van de vader, moeder en kind in onderlinge samenhang wordt meegewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vervangende toestemming voor erkenning door de vader.