ECLI:NL:PHR:2001:AB1004
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Fiscale toerekening van saneringskosten oude stortplaats bij exploitatie nieuwe put
Belanghebbende, een moedermaatschappij van een fiscale eenheid, exploiteerde een oude stortplaats tot 1991 en een nieuwe put vanaf 1989, waarvoor zij in 1994 een vergunning verkreeg met milieuvorschriften die sanering van de oude put verplicht stelden. De saneringskosten werden geraamd op 15 miljoen gulden, waarvan belanghebbende een voorziening vormde in haar balans per 31 december 1992.
De Inspecteur van de Belastingdienst verwierp deze voorziening deels, stellende dat een deel van de kosten toegerekend moest worden aan de exploitatie van de nieuwe put en geactiveerd moest worden. Het Hof verwierp dit standpunt en stond toe dat de voorziening in 1992 werd gevormd, omdat de kosten hun oorsprong vinden in de exploitatie van de oude put.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat de kosten geactiveerd moesten worden omdat zij verband houden met toekomstige opbrengsten van de nieuwe put. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de toerekening aan de oude put terecht was, mede omdat de sanering een milieuprobleem uit het verleden betreft en niet direct dienstbaar is aan de nieuwe put.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de kosten van sanering van de oude put niet verplicht geactiveerd hoeven te worden als kosten van toekomstige exploitatie van de nieuwe put, maar toegerekend mogen worden aan de periode van de oude put.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de saneringskosten van de oude put terecht aan de exploitatieperiode van die put zijn toegerekend en niet verplicht geactiveerd hoeven te worden.