ECLI:NL:PHR:2001:AA9558
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt nihilstelling alimentatieplicht na onvoldoende bewijs van onderhoudsbehoefte vrouw
De zaak betreft een geschil over de wijziging van alimentatie tussen een ex-echtpaar dat in 1970 trouwde en in 1986 scheidde. De vrouw verzocht in 1997 om verhoging van de alimentatie, stellende dat het inkomen van de man was gestegen en haar onderhoudsbehoefte was toegenomen. De rechtbank stelde de alimentatie in 1999 vast op een lager bedrag dan gevorderd. De man ging in beroep bij het hof Arnhem, dat in 2000 de alimentatie op nihil stelde omdat de vrouw onvoldoende had aangetoond dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien.
De vrouw stelde dat zij gedurende haar bijstandsperiodes aan haar sollicitatieplicht had voldaan, maar zonder succes een baan had gevonden. Het hof oordeelde dat de vrouw geen bewijsstukken had overgelegd van haar sollicitaties, ook niet van recente pogingen, en dat zij onvoldoende had gemotiveerd waarom zij niet in haar levensonderhoud kon voorzien. De Hoge Raad bevestigt dat het op de vrouw rustte om haar onderhoudsbehoefte aannemelijk te maken en dat het hof haar bewijsopdracht terecht had opgelegd.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het oordeel van het hof dat de alimentatieplicht van de man met ingang van 9 maart 1999 op nihil is gesteld. De vrouw had onvoldoende inzicht gegeven in haar sollicitatie-inspanningen en kon niet aantonen dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de alimentatieplicht van de man op nihil wordt gesteld wegens onvoldoende bewijs van de vrouw.