Conclusie
eerstemiddel wordt betoogd dat de redelijke termijn is geschonden tussen de datum van het aantekenen van het cassatieberoep en die van de behandeling van de zaak in cassatie.
tweedemiddel wordt betoogd dat het Hof ten onrechte zijn arrest mede heeft gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 1997, terwijl na die zitting zowel ter zitting van 16 maart 1998 als ter zitting van 11 mei 1998 het onderzoek opnieuw is aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof.
derdemiddel wordt betoogd dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 09/753019-96 onder 1 tenlastegelegde feit niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen zou niet volgen dat de bankpas door diefstal of door een ander misdrijf is verkregen.
een door diefstal, in elk geval door misdrijf(vet: JWF) verkregen bankpas van de ABN-AMRO bank ten name van [betrokkene] in pincode-apparaten van die bedrijven ingebracht en de voor de rechtmatige houder van die betaalpas gereserveerde (geheime) pincode ingetoetst, waardoor die bedrijven (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;