ECLI:NL:PHR:2000:ZD1786
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over schadevergoeding en proceskosten bij verkrachtingszaak
In deze zaak heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch een verdachte veroordeeld voor verkrachting en de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen tot een bedrag van ƒ 10.427,67, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij had in eerste aanleg een vordering van ƒ 20.423,16 ingediend, die zij in hoger beroep vermeerderde met ƒ 3.550 aan proceskosten.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte de proceskosten als materiële schade heeft aangemerkt, terwijl deze kosten niet onder de directe schade in de zin van art. 51a Sv vallen. De proceskosten zijn weliswaar voor vergoeding vatbaar op grond van art. 361, vijfde lid, Sv, maar mogen niet worden meegenomen in de schadevergoedingsmaatregel.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de schadevergoedingsmaatregel uitsluitend kan worden opgelegd voor de directe schade door het strafbare feit en niet voor de proceskosten. Omdat het hof niet heeft toegelicht hoe het bedrag van ƒ 5.427,67 is opgebouwd, kan de Hoge Raad de zaak niet zelf afdoen en verwijst deze terug naar het gerechtshof te Arnhem voor hernieuwde beoordeling.
De overige onderdelen van het hoger beroep worden verworpen. De uitspraak versterkt de positie van de benadeelde partij door duidelijkheid te scheppen over de vergoeding van proceskosten en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het deel over de schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel en verwezen naar het hof Arnhem voor hernieuwde beoordeling.