ECLI:NL:PHR:2000:ZD1689
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter bij arbeid zonder vergunning door buitenlands bedrijf
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om een buitenlands bedrijf te vervolgen dat in Nederland arbeid liet verrichten door buitenlanders zonder de vereiste vergunning. Het bedrijf voerde aan dat het vervolgingsrecht ontbrak vanwege een ongeschreven regel van internationaal strafrecht en omdat de relatie van het feit tot de Nederlandse rechtsorde te gering zou zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat de strafwet van een land zich uitstrekt tot gedragingen op zijn grondgebied, zoals vastgelegd in het territorialiteitsbeginsel (art. 2 Sr Pro), en dat dit beginsel slechts wordt beperkt door volkenrechtelijke uitzonderingen zoals immuniteiten (art. 8 Sr Pro). De verdediging kon zich weliswaar op internationale rechtsregels beroepen, maar deze konden niet het vervolgingsrecht van de Nederlandse rechter uitsluiten.
De Hoge Raad oordeelde dat de verrichte arbeid in Nederland plaatsvond, dat het bedrijf zich aan het Nederlandse recht had onderworpen en dat de Nederlandse wetgeving inzake arbeid door buitenlanders duidelijk was geschonden. De relatie tot de Nederlandse rechtsorde was daarom niet gering, ook al betrof het een Pools project en werden de producten geëxporteerd. Het beroep op een ongeschreven internationale rechtsregel faalde, evenals het betoog dat uitsluitend Polen de werkzaamheden konden verrichten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldboetes opgelegd door het gerechtshof wegens het zonder vergunning laten werken van buitenlanders in Nederland.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en wijst het cassatieberoep af.