ECLI:NL:PHR:2000:AA8985
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en intrekking van WOZ-beschikkingen in belastingrechtelijke procedure
De zaak betreft een geschil over de vaststelling en intrekking van een WOZ-beschikking door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haren. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking I van 25 februari 1997, die de waarde van een recreatiewoning vaststelde op ƒ 128.000. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij het hof, trok het College deze beschikking in en stelde een nieuwe beschikking vast (WOZ-beschikking II) met een andere waardering.
Het hof verklaarde belanghebbende niet-ontvankelijk in beroep omdat WOZ-beschikking I was ingetrokken en tegen WOZ-beschikking II geen rechtsmiddel was aangewend. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat het beroep mede gericht is tegen de gewijzigde beschikking, conform art. 6:19 Awb Pro. Hierdoor blijft het procesbelang bestaan.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de bevoegdheid tot het vaststellen en intrekken van WOZ-beschikkingen. Sinds 1 januari 1998 is deze bevoegdheid geattribueerd aan een ambtenaar en niet langer aan het College, waardoor het College niet bevoegd was om WOZ-beschikking II vast te stellen of WOZ-beschikking I in te trekken. De Hoge Raad overweegt dat dergelijke bevoegdheidsgebreken kunnen worden geheeld op grond van art. 6:22 Awb Pro, mits de belanghebbende niet wordt benadeeld.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof voor inhoudelijke beoordeling van WOZ-beschikking II, aangezien het hof geen oordeel gaf over de objectafbakening en waardevaststelling. Tevens wordt ingegaan op de verhouding tussen bestuursorganen en ambtenaren en de hiërarchische ondergeschiktheid bij de uitoefening van bestuursbevoegdheden.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van het hof en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling van het beroep tegen WOZ-beschikking II.